Stedelijk | Zero: Let Us Explore the Stars

Vol trots verklaart het Stedelijk vroeger een platform te bieden voor het radicale en experimenterende werk van de Zero beweging, maar dat was wel het enige wat zij deden. Alles wat geld zou kosten moesten ze zelf regelen.

Door Marijke Phoa

Zero: Let Us Explore the Stars
4 jul – 8 nov 2015
Stedelijk Amsterdam

Soms heb ik het genot dat ik meerdere keren naar dezelfde tentoonstelling ga, omdat mijn gezelschap daar graag heen wil of omdat ik een uurtje te doden heb (met een museumjaarkaart neig je al snel naar een museum dan). Zo was dus het geval bij de ZERO tentoonstelling in het Stedelijk. Zowel mijn vader en mijn vriend wilden er graag heen, en via de middelbare school waar ik les geef gingen wij er heen op excursie. Het leuke is dat de tentoonstelling, juist door het wisselende gezelschap, steeds iets anders te bieden heeft.

Zero: Let Us Explore the Stars is een overzichtstentoonstelling die de tentoonstelling van de Zero beweging uit 1965 volgt. Vol trots verklaart het Stedelijk toen al een platform te bieden voor het radicale en experimenterende werk van de Zero beweging, maar dat was wel het enige wat zij deden. Het opstellen, de promotie, de materialen – alles wat maar geld zou kosten – moesten de kunstenaars zelf verzorgen. Op zich was dit geen probleem voor deze heren die juist marketingtechnisch zeer sterk waren. De muur met autobanden van Armando is typisch een werk dat onder deze omstandigheden is gecreëerd, geheel gesponsord door Goodyear zodat het de kunstenaar geen geld heeft gekost.

Met mijn klas volgden wij een rondleiding waardoor je wat sneller door de zalen beweegt dan je misschien zou willen. Omdat sommige bewegende werken wat ouder zijn worden zij enkel om het kwartier kort aangezet, in zo’n ronleiding mis je daardoor een groot deel van deze werken. Dit heb ik tijdens mijn andere bezoeken ruimschoots goed heb gemaakt. Zo stond ik een kwartier lang voor het werk van Pol Bury 107 bollen van 6 verschillende grootes te wachten die elk moment kon bewegen, en hoe langer ik wachtte hoe meer ik er tegenop zag om weg te lopen wanneer het werk uit bleef. Gelukkig heb ik deze uiteindelijk bij mijn derde bezoek dan toch echt in actie gezien. De bolletjes pingde lekker heen en weer door het mechaniek erachter.


Ook heb ik meer de tijd en ruimte om foto's te maken wanneer ik met mijn vader naar het museum ga.

De werken zijn verdeeld onder verschillende categoriën. Je hebt een zaal vol met monochroom werk, een zaal met ready-mades waar de muur met de banden hangen, maar ook een zaal waarbij licht een grote rol speelt door bewegende aluminium en glas elementen te gebruiken die het licht weerkaatsen. En er is een zaal vol met Otto Piene’s werk, gemaakt met vuur!

Ik ben helemaal gefacineerd geraakt door de roetafgave die de kaarsen hebben achter gelaten toen Piene ze dicht bij het doek hield. Één werk, een soort raster patroon van roet-toefjes op een kunststof witte plaat, ziet eruit alsof het kleine zwarte wolkjes zijn, zo zacht. Daarbij vraag ik mij wel af wat voor nachtmerrie zo’n werk is voor de conservator. Hoe behoud je zo’n afdruk voor de langere tijd? Vijftig jaar is blijkbaar goed te doen, maar hoe lang tot ze vervagen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *